van Cybercop, 07-12-2006

"De pratende waringin."

Vele Indische senioren weten wat een waringinboom is, voor de jongeren die op een vroege leeftijd naar Holland zijn vertrokken en ook die in Holland zijn geboren, wil ik wel graag even een uitleg geven wat een waringinboom is.
Een waringinboom in het vroegere Oost-Indië en nu Indonesia is een hele grote boom met wortel groeiende slierten die van de zijtakken van de boom groeien. De slierten groeien hoe langer hoe meer naar beneden totdat zij de grond raken en dan hun weg zoeken dieper in de grond. Ze helpen in voeding en zuigen zowel vocht als water op om de moederboom het werk lichter te maken. Voor degene die meer wil weten, als jullie een bibliotheek hebben, zoek even daar. Ik geloof dat het onder de naam van Indian banjan is te vinden; origineel komt het van India.

Het verhaal is gebaseerd op oude legendes uitgesproken bij oude desa mensen.
Meestal zijn deze desa' s ver van de stad. De legende-verhaaltjes is verteld in verschillende manieren, aangezien Java verdeeld is in drie verschillende delen: daar is west-Java , oost-Java en midden-Java. Ik ben opgegroeid in midden- Java en zo zal ik het ook vertellen naar de legende-verhalen die uitgesproken zijn bij de desa bevolking van midden-Java.

Het is best te begrijpen dat een boom niet kan praten, alhoewel legendes soms bijgelovig klinken; men moet begrijpen dat in Indonesië vele bijgelovigen wonen, ze zijn ermee opgegroeid. Ook velen van ons Indischen hebben het mogen beleven van opgroei tot vertrek van ons moederland.

Het verhaal begint as volgt:

In een kleine desa groeit een grote waringinboom die door de desa bevolking als sientroe wordt genoemd en iedereen heeft een angstgevoel om in de buurt van die boom te vertoeven en zij lopen met veel bezorgdheid langs die boom wanneer zij naar de desa terug gaan.
Lang geleden volgens het verhaal was er een vrouw die zwanger was en altijd koelte zocht onder die waringinboom die zij ten zeerste hoog achtte, gezien de boom haar de koelte gaf die zij in haar zwangerschap zo nodig had om de hitte te ontwijken.
Toen het tijd was om te bevallen kwamen er complicaties en de zwangere vrouw werd ernstig ziek. Aangezien de waringinboom haar altijd koelte gaf zo heeft zij ook haar pijnlijke uren doorgebracht bij de waringinboom en stierf.
Toen zij haar laatste adem heeft uitgeblazen en het kind dat zij droeg nog in leven was en naderhand natuurlijk ook is gestikt, ging de geest het levenloze lichaam uit en volgens de desa inwoners gaat het verhaal zoals de ouderlingen doorverteld hebben.

De geesten van moeder en kind hebben hun woonplaats in de grote waringinboom gevonden; de ouderlingen van de desa Oengaran (een klein dorpje in het hartje van midden-Java) hebben er een legende van gemaakt en het verhaal leeft onder het dagelijks leven in dat dorpje.

Iedereen weet in het dorpje dat de dorpelingen en bezoekers bij de waringinboom geen vuil mogen weggooien en dat het mannelijke geslacht daar niet mag plassen, want schadelijke gevolgen kunnen daaruit voortkomen. Volgens de legende kan een persoon, wie maar ook, erg ziek worden.

De westers geboren mensen geloven niet aan hokus pokus en zwarte kunst, maar op een dag werd een bezoeker, een jongeman van een andere plaats, ernstig ziek en geen enkele dokter kon hem genezen. De man ging door staren en kon niet meer praten, alleen met gebaren wijzen. Ten einde raad hebben de dorpelingen de doekoen pak Djojo erbij gehaald en hij zegt: "wah iki oewong joh KESAMBET, joh iku sing weroh joh omong wahe, nah ora isoh joh akoe iki joh ora isoh toloong".
(Dit is Javaans pasar maleis. Voor degenen die dit niet begrijpen zal ik het even ontcijferen. De doekoen zei: "wel, deze persoon is BEWERKT, als er een persoon is die weet waar hij was zeg dan, anders kan ik niet helpen").
Een jonge jongen kwam naar voren uit nieuwsgierigheid en zegt: "menikoh koeloh ngdelok pak Djojo, menikoh bapak-e ngoe-joh ning waringin pak Djojo".
("ik heb gezien dat de persoon bij de waringinboom ging pissen vader Djojo".)
De dorpsdokter pak Djojo zegt : "ik heb een sapoe-lidi nodig, kembang kantil sing wanggi, semangkok banjoe-warras, odjoh lali menjan-neh". Alles werd bij elkaar gebracht de verschillende dingen die de Doekoen gevraagd had, o.a. de sapoe-lidi, de geurige witte bloem, bronwater en wierook. De zieke jongeman werd opgepakt en alle dorpelingen, toen het schemerig begon te worden, gingen naar de waringinboom om hun verontschuldigingen aan te bieden. Bij de waringinboom aangekomen, de dorpelingen bleven op een afstandje achter en alleen de doekoen en de jongeman gingen naar de plaats waar de jongeman had geplast en de verontschuldiging offering werd volbracht door de doekoen op een wijze van legende gewoonten van de zwarte kunst. De jongeman moest bukken met hoofd omlaag en zijn bovenbloes moest uit, wierook werd aangestoken en een kop water werd over de plek gegooid waar geplast was. De sapoe-lidi kwam te voorschijn en terwijl de doekoen woorden ging mompelen werd het juweeltje, buik en rug met de sapoe-lidi verschillende malen tikjes gegeven.

De volgende dag stond de jongeman op, voelde zich wat beter en de goena-goena werd verteld door de doekoen aan de jongeman, dat de waringinboom zijn geestelijke bewoners heeft en de omgeving van die boom niet bevuild mag worden ter ere van de geesten die daar in de waringinboom vertoeven.

De jongeman, die in een westerse opvoeding was grootgebracht en van goena-goena niets af wist, had zijn lesje geleerd. Hij kwam vaak in het dorpje terug en altijd als hij de waringinboom voorbij liep groette hij met een glimlach en met eerbied. Vaak deed hij dat en op een dag ging hij wat later naar huis van het dorpje waar hij altijd op bezoek kwam en het begon al donker te worden, iets voorbij de schemering. Hij moest natuurlijk weer voorbij de waringinboom en een giechelende stem kwam uit de waringinboom, maar hij zag niets. Bibberend hoorde hij een zachte stem, de jongeman liep langzaam verder en bleef naar de boom staren en opeens kwam een mooie jonge vrouw tervoorschijn en kwam met een glimlach naar hem toe en..............

Giechelend kwam zij dichter en dichter en met een anstig gevoel liep de jongeman telkens achteruit. Bij het achteruit lopen keek hij naar beneden en zag tot zijn verbazing dat de blote voeten van het vrouwtje niet de vaste grond raakten maar een paar centimeter boven de grond zweefden. Een rare geur kwam met zich mee bij de toenadering van het vrouwtje, dat gekleed was in een wit satijnen doorschijnende kledingdracht tot haar enkels. Een paar meter van de jongeman vandaan stopte zij.
Iemand anders hoorde ook een gegiechel en zag de jongeman die rillend op de weg dicht bij de struiken bij de pagger van pak Soerioh ging zitten. De jonge vrouw die in de richting van de jongeman liep, draaide zich lachend om en met een giechelende stem ging zij terug naar de waringinboom en verdween in een zachte lichtstraal. Tot zijn grote verbazing zag de jongeman, toen het vrouwtje zich omdraaide en terug liep naar de waringinboom, dat zij een groot gat in haar rug had.

Toen de jongeman in de desa aan kwam ging hij direct naar het huis van de doekoen en klopte aan de deur, het was al vrij laat tegen de avond, trok zijn schoenen uit en de doekoen liet hem in en vroeg: "waar kan ik je mee helpen?" De jongeman legde uit wat voorgevallen was bij de waringinboom op de weg naar de desa.
De doekoen zei: "longgoh wahe, onoh opo?. Roepamoe koh poetih? Opo kowe ikoe KESAMBET maneh sing pendjogoh waringin? Iki ngombe disik koppie toebroek, nah oewis rodoh waras, dongengane opoh?".
("Ga zitten , wat is er aan de hand precies? Je gezicht ziet er wit uit, ben je weer BEWERKT toen je de waringinboom passeerde? Hier, ga eerst een kopje koffie drinken en als je al uitgerust bent vertel mij maar wat je wil vertellen.")

En na een poosje, toen de jongeman tot rust was gekomen en zijn lekkere kopje koffie had gedronken, vertelde hij aan de doekoen wat hem was overkomen op weg naar de desa toen hij de waringinboom passeerde.
De doekoen zei: "ik zal je vertellen van de legende die de ouderlingen hebben verteld. Voor mijn geboorte had die waringinboom reeds de legende van een mooie vrouw die daar woonde en op bepaalde tijden komt zij te voorschijn als zij een jongeman ziet naar haar verlangens en goedkeuring of die zij aantrekkelijk vindt. Niet altijd gebeurt er dat wat met jou gebeurd is toen je de waringinboom passeerde. Meestal gebeurt het tegen de schemering en verschillende uren van de nacht tot 12 uur 's nachts. Djoemahat djam pitoe wenggi kojo sa-iki joh isoh ikoe wedok ngolek djodone, ngna ikoe joh kowe sing deknen-ne nemoe kowe".
("Vrijdag ongeveer 7 uur ‘s avonds, net als nu, kan dat vrouwtje haar keuze vinden en vond jou".)

De doekoen vroeg: "heeft zij jou aangeraakt?" "Nee," zei de jongeman, ik liep door achterwaarts tot bij de struiken-pagger van pak Soerioh en toen pak Soerioh naar buiten kwam draaide het vrouwtje zich om en ging giechelend weg."
De doekoen zei: "gelukkig maar dat zij jou niet heeft aangeraakt, want de oude legende vertelt dat de geest van dat vrouwtje, die de naam kreeg van KOENTIL ANAK die daar in de waringinboom woont, altijd probeert gezelschap te zoeken van een goed uitziende jongeman naar haar keuze. Meestal komt ze te voorschijn op een donderdag- of vrijdagavond en als ze je aanraakt, dan heeft ze je in haar macht."
De doekoen zei: "ik zal je een djimat geven zodat zij jou geen kwaad zal doen. Mocht het geval zijn dat het weer voorkomt laat haar de djimat zien en zij zal alleen giechelen en mocht haar geest jou aanraken, je zal niet meer ziek worden. Deze djimat is niet voor iedereen, want elk heeft zijn eigen kracht naar gelang van de sterke en zwakke wilskracht van een persoon. Hier hou het maar bij je en hang het om je nek.

De jongeman dankte de doekoen, ging verder de desa in, legde zijn bezoek af, bleef tot de volgende ochtend, ging naar huis, kwam weer langs de waringinboom, keek in de richting van de boom en met een gebogen houding en een glimlach haalde hij zijn djimat tevoorschijn en passeerde de boom.
Vele jaren gingen voorbij en vaak genoeg kwam hij langs de pratende en giechelende waringinboom, maar werd nooit meer ziek. De vertelling ging verder en verder buiten de desa en elke bezoeker van buiten de desa toonde respekt en wist dat er nooit bij de waringinboom en omgeving bevuild mag worden.

Woordenboek

soemoer, sumur = waterput
sumur blakang = de put achter
mandi = baaien
sintru, sientroe = daar woont een geest, spookachtig
ngolong = stelen
kedongdong = soort appel of appelboom
blandja, belandja = boodschappen doen
tjopčet, njopčet = stelen, jatten
mengerip = avondschemering, zonsondergang
tarik = trekken
tjelana monjet = hansop (letterlijk: apenbroek)
pesing = beplast, stinkt naar pis
ngamok, ngamoek = tieren, razen, kwaad
bahu = ruiken
djamoes = geneesmiddelen van natuurlijke kruiden
nčnčk = oude vrouw, omaatje
grimies = druppelt, miezelt
wudoh = naakt
dongengan = verhaal
desa = dorp
pak = vader, (bapak = vader)
doekoen = zwarte-kunst dokter
sapoe-lidi = bezem van de stengels van de bladeren van de klapperboom
kembang kantil sing wanggi = langwerpige, geurige, witte bloem
semangkok banjoe-warras = kopje bronwater
odjoh lali menjan-neh = vergeet ook niet de wierook
goena goena = zwarte kunst, stille kracht
pagger, pagar = heg, haag
koentil anak = wratten kind
djimat = een soort rozenkrans
tukang = een man
genteng = dakpan
mennek = klimmen
susah itu noniek saja = beroerd dat meisje van mij
ngandol = meerijden
nglondong = rollen
kantong = zak (van korte broek)
serrem = daar wonen geesten
katok monjet = lett.: broek van aap - apenbroek
kudung pajong = kudung - bedekking / pajong - paraplu
ibu = mevrouw, moeder
sawahvelden = rijstvelden
pisang goreng = gebakken banaan in meel
pendjogoh of Demah-Pendjogo = geestelijke-bewaker
menjan = wierook(stokjes)
siloh = met gekruisde benen op de grond zitten
dingklik = laag houten stoeltje
padi = rijst
potong padi = rijst sprieten knippen
sembajang = gebedje doen
sokkongan = donatie
nglatiks = rijst etende vogels
semulette = uitzicht
kulon-noe-won = goedendag
ittem = zwart
dissoh = dorpje
tilkar = vloermat
lurah = dorpshoofd
kilikan = grassprietje
tukang dongeng = verhalen verteller
koppie tubruk = zwarte koffie
boekak = geopend
goeboek = hutje
djongkok = hurken
oesah = weggejaagd
matanja melottot = uitpuilende ogen
ommong ommong = praten
kali = rivier
gallangan = zijtak-riviertje
soember warras = heldere waterbron
Djamman doeloe = vroegere tijd
soelingan = fluit
bale-bale = divan-bed
Dalang Noelis = verhalenschrijver
takoet = bang

Bron: Verhalen van Pak Leo